scheiden

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schei·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verbinding verbreken’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheiden
scheidde
gescheiden
zwak -d

gemengd

volledig

Werkwoord

scheiden [3]

  1. overgankelijk in afzondering brengen
    • In deze machine wordt het waardevolle erts gescheiden van de rest van het opgegraven gesteente. 
     Het probleem was echter dat de boom meer dan vier meter boven een kolkende rivier hing en ik totaal geen houvast zou hebben tijdens het overbruggen van de zes meters die me van de overkant scheidden.[4]
  2. overgankelijk het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden
    • Moeder en dochter werden gescheiden door de bouw van de Muur. 
  3. ergatief ~ van: een huwelijksband verbreken
    • Hij is al enige tijd van haar gescheiden. 
  4. ergatief uiteengaan
    • Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden. 
  5. wederkerend zich ~: afsplitsen
    • En daar scheidden zich hun wegen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Bij het scheiden van de markt, leert men de kooplui kennen
als de zaken eenmaal gedaan zijn leer je iemand pas kennen
  • De bokken van de schapen scheiden
De goeden apart van de kwaden zetten of een scheiding maken tussen goede en slechte mensen ofwel: Een scheiding maken tussen mannen en vrouwen ofwel: Een scheiding maken tussen mensen die iets durven of kunnen ten opzichte van anderen.
  • Het kaf van het koren scheiden
Het waardevolle van het waardeloze scheiden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen