oplossen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·los·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oplossen
loste op
opgelost
zwak -t volledig

Werkwoord

oplossen

  1. ergatief, (scheikunde) een homogeen mengsel gaan vormen met een vloeistof, in een vloeistof verdwijnen
    • Goud lost op in kwik. 
  2. overgankelijk, (scheikunde) een homogeen mengsel doen vormen
    • We losten goud op in kwik. 
  3. overgankelijk opheldering brengen inzake een probleem
    • Dat lost de moordzaak niet op. 
     Mijn vrouw moest tenslotte het gezin en onze B&B draaiende houden en alle onvoorziene problemen alleen oplossen.[1]
     Dat komt doordat Schiphol laat met de beperking van het aantal reizigers kwam en de gevolgen voor de vliegmaatschappijen en reisorganisaties nog maar deels bekend zijn. Die hebben dus nog een puzzel op te lossen.[2]
  4. ergatief verdwijnen
    • Hij was in het niets opgelost. 
  5. overgankelijk (wiskunde) het gevraagde uit de gegevens berekenen
  6. overgankelijk tot een bevredigend einde brengen
  7. wederkerend zich ~: uiteengaan
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron “Duidelijkheid over vliegvakantie komt met horten en stoten (en rijkelijk laat)” (24 juni 2022), NU.nl
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be