• mod·der
  • In de betekenis van ‘mengsel van aarde en water’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord modder -
verkleinwoord - -

de modderm [3]

  1. mengsel van aarde, vuil en water
    • Haar laarzen waren helemaal besmeurd met modder. 
    • Albert kan zijn gezicht niet zien, het is met modder bespat. [4] 
     Ik verloor een schoen in de zuigende modder, en mijn in kous gestoken voet zakte diep en met een soppend geluid weg in de derrie.[5]
vervoeging van
modderen

modder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van modderen
    • Ik modder. 
  2. gebiedende wijs van modderen
    • Modder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van modderen
    • Modder je? 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]