aanwezig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·we·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voorhanden’ voor het eerst aangetroffen in 1561 [1]
  • Samenstellende afleiding van aan en de stam van wezen met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanwezig aanweziger aanwezigst
verbogen aanwezige aanwezigere aanwezigste
partitief aanwezigs aanwezigers -

Bijvoeglijk naamwoord

aanwezig

  1. tegenwoordig zijn, er zijn (van mensen)
    • Het aanwezige publiek was dolenthousiast. 
     Het was dus maar zeer de vraag of het iets had uitgemaakt als hijzelf aanwezig had kunnen zijn bij de laatste fase van het storten, toen het ongeluk plaatsvond.[2]
  2. ter beschikking zijn, voorhanden zijn (van dingen)
    • Alle vormen van speelplezier zijn aanwezig. 
     Je ziet ook hoe het leven langzaam uit de Route is weggetrokken. De romantiek van het verval is overvloedig aanwezig. Verlaten, met gras en onkruid overwoekerde tankstations.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "aanwezig" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  3.   Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be