• pre·sen·te

presente

  1. verbogen vorm van de stellende trap van present


presente

  1. (grammatica) tegenwoordige tijd; aanduiding dat het huidige moment bedoeld wordt, wordt vooral in de grammatica gebruikt.


presente

  1. (grammatica) onvoltooid tegenwoordige tijd


  • pre·sen·te
enkelvoud meervoud
presente presentes

presente m

  1. heden, presens. tegenwoordige tijd
  2. geschenk
  3. aanwezige
  enkelvoud meervoud
mannelijk presente presentes
vrouwelijk presente presentes

presente

  1. aanwezig, present
  2. huidig, tegenwoordig

presente

  1. (grammatica) tegenwoordige tijd; aanduiding dat het huidige moment bedoeld wordt, wordt vooral in de grammatica gebruikt.
vervoeging van
presentar

presente

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van presentar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van presentar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van presentar
vervoeging van
presentarse

presente

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van presentarse
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van presentarse
  3. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van presentarse