• hui·dig
  • In de betekenis van ‘tegenwoordig’ voor het eerst aangetroffen in 1409 [1]
  • afgeleid van (een voorloper van) heden met het achtervoegsel -ig [2]
stellend
onverbogen huidig
verbogen huidige
partitief huidigs

huidig

  1. bij het heden behorend
    • De huidige minister is erg intelligent. 
     Wat ook niet hielp was dat ik nu weer alleen liep en niet meer mijn vertrouwde groep om mij heen had. De trail zou 700 kilometer dwars over het High Sierra gebergte gaan, met dagelijkse beklimmingen over passen van meer dan 4000 meter hoog. Dit was wel het laatste waar ik op dit moment op zat te wachten in mijn huidige, onzekere staat.[3]
     Het STAP-budget is bedoeld om werkenden en werkzoekenden te stimuleren zich te laten om- of bijscholen. Wie aan de voorwaarden voldoet, kan een tegemoetkoming in de studiekosten ontvangen van maximaal 1.000 euro per jaar. Voorwaarde is wel dat de opleiding is gericht op huidig of toekomstig werk.[4]
98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]
  1. "huidig" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. huidig op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron “STAP-budget al binnen 2,5 uur op door stortvloed aan aanvragen” (01 juli 2022), NU.nl
  5.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be