• pa·rel
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘klompje paarlemoerstof in oester’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord parel parels
parelen
verkleinwoord pareltje pareltjes

de parelv

  1. een hard, rond voorwerp bestaande uit parelmoer dat door bepaalde weekdieren (hoofdzakelijk oesters, soms slakken) wordt gemaakt, en dat opgevist wordt om als sieraad te dienen
     Haar moeder zat in een fauteuil aan de ene lange kant van de salontafel, keurig gekleed in een plissérok en een groene twinset, kasjmier waarschijnlijk, en een eenvoudige ketting met één rij parels.[3]
  2. bolvormig uitsteeksel aan de basis van een gewei van een hert
  3. (figuurlijk) bijnaam voor een talentvolle speler, die zich van andere (middelmatige) spelers onderscheidt, of een bedrijf, gebouw, gebied of eiland dat in schoonheid, strategisch belang of (commerciële) potentie boven de anderen uitsteekt.
  • Parels voor de zwijnen
verspilde moeite
vervoeging van
parelen

parel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van parelen
    • Ik parel. 
  2. gebiedende wijs van parelen
    • Parel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van parelen
    • Parel je? 
99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]