isolatie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iso·la·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord isolatie isolaties
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

isolatie v [1]

  1. (medisch) ruimtelijke afzondering van anderen, als sanitaire maatregel
     Iedereen die van Engeland naar Frankrijk reist, moet een negatieve PCR-test bij zich hebben die maximaal 24 uur eerder is afgenomen. Dat was tot nu toe een test van maximaal 48 uur oud, alleen voor ongevaccineerden. Deze reizigers moeten bovendien een week in isolatie blijven – tenzij ze na twee dagen negatief testen op het coronavirus.[2]
  2. (techniek) het voorkomen van geleiding van energie of elektrische stroom
  3. (bouwkunde) isolatiemateriaal
Synoniemen
Verwante begrippen

isolement

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Frankrijk sluit zijn grenzen voor de Britten, uit vrees voor omikron” (16 december 2021) op trouw.nl
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be