• huis·hou·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huishouden
hield huis
huisgehouden
klasse 7 volledig

huishouden

  1. (pejoratief) een grote rommel of vernietiging achterlaten
    • De bandieten hielden flink huis in het dorpje dat ze plotseling overvallen hadden. 
  2. de huishouding doen
enkelvoud meervoud
naamwoord huishouden huishoudens
verkleinwoord huishoudentje huishoudentjes

het huishoudeno

  1. een groep van één of meer samenwonende mensen die samen een economische eenheid vormt
    • Veel huishoudens kregen het in deze crisis zwaar te verduren. 
     Een hogere rente zorgt ervoor dat huishoudens meer gaan sparen en minder uitgeven. Maar om de economie goed te laten draaien, is het juist van belang dat mensen grote en kleine aankopen blijven doen en hun geld niet oppotten.[2]
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]
  1. huishouden op website: Etymologiebank.nl
  2.   Weblink bron “Euro voor het eerst in twintig jaar precies evenveel waard als dollar” (12 juli 2022), NU.nl
  3.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be