huishoudboekje


Nederlands

 
[1] huishoudboekje
Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·houd·boek·je
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord huishoudboekje huishoudboekjes

Zelfstandig naamwoord

huishoudboekje o [1]

  1. boekje waarin de huisvrouw de uitgaven voor de huishouding bijhoudt
  2. (figuurlijk) begroting of boekhouding van een grotere organisatie dan een huishouden
     De vraag is dus waar de partijen dat geld vandaan willen halen. Wat moet er uit het 'huishoudboekje' geschrapt worden om dit te kunnen betalen? Minder asielzoekers zegt de een, hogere belasting voor grote bedrijven zegt de ander.[2]
     De Nederlandse staatsschuld is tijdens de coronacrisis minder gestegen dan eerder gedacht. Dinsdag is het Prinsjesdag en zal het ongetwijfeld gaan over het huishoudboekje van de overheid en wat te doen.[3]

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Tweede Kamer kan 'macht' over Prinsjesdagstukken grijpen, lukt dat?” (Donderdag 23 september 2021, 08:09), NOS
  3.   Weblink bron Leen Kraniotis “Staatsschuld blijft ondanks corona onder EU-maximum, maar is dat wel nodig?” (Zondag 19 september 2021, 06:55), NOS