• ge·steen·te
  • In de betekenis van ‘stenen’ voor het eerst aangetroffen in 1325 [1]
  • afgeleid van steen met het omvoegsel ge- -te dat een verzameling aangeeft [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gesteente gesteenten
gesteentes
verkleinwoord - -

het gesteenteo

  1. (geologie) het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
    • In een bepaalde regio kom je vaak dezelfde gesteentes tegen. 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]