Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·dem
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘grond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bodem bodems
verkleinwoord bodempje bodempjes

Zelfstandig naamwoord

bodem m

  1. een onderkant
    • De bodem van de emmer is lek. 
  2. de grond
    • De bodem raakte hierdoor verontreinigd. 
  3. (scheepvaart) een schip
    • In de haven lag een vloot van meer dan dertig Engelse bodems. 
  4. de grond die normaliter de water bedekt is
    • Het schip ligt op de bodem van de rivier. 
     Het was raar te merken dat ik tijdens het zwemmen hoogtevrees had: het water was zo helder dat ik de bodem 15 meter onder me duidelijk kon zien.[2]
  5. het meest fundamentele van iets
     Advocaat Van Tilborg wist zich duidelijk geen raad met deze constatering en zei dat deze zaak in een andere procedure tot de bodem moet worden uitgezocht.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bodemen

bodem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bodemen
    • Ik bodem. 
  2. gebiedende wijs van bodemen
    • Bodem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bodemen
    • Bodem je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bodem" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  3.   Weblink bron Angelique Kunst   “Na elk krantenartikel lijdt Gerard Sanderinks Centric verlies: ‘We worden afgeschilderd als domme mensen’” (26-04-2022), Tubantia
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·dem

Zelfstandig naamwoord

bodem

  1. instrumentalis enkelvoud van bod