afweten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·we·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afweten
wist af
afgeweten
onregelmatig volledig

Werkwoord

afweten

  1. inergatief iets ~ van: kennis bezitten op een bepaald gebied
    • Wat weet jij daarvan af? 
  2. het laten weten dat iets niet doorgaat
    • Hij liet weten dat het voorgenomen vakantieplan tot zijn spijt af is. 
  3. (figuurlijk) laten ~: het zonder kennisgeving in gebreke blijven
    • Hij komt zijn beloften nooit na, hij laat het altijd afweten. 
  4. (figuurlijk) laten ~: het defect raken van werktuigen, apparatuur etc.
    • Hij kwam te laat, zijn auto liet het weer eens afweten. 
  5. (figuurlijk) in de steek laten; niet meer kunnen vertrouwen
     Haar hersens lieten het volledig afweten.[1]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be