aanbevelen

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbevelen
beval aan
aanbevolen
klasse 4 volledig
Woordafbreking
  • aan·be·ve·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

aanbevelen

  1. overgankelijk over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
    • Ik kan je Jan aanbevelen, want hij is een kundig en betrouwbaar boekhouder. 
  2. overgankelijk aanprijzen
    • Ik kan je deze oude auto niet aanbevelen want hij heeft veel gebreken. 
     Een bestemming én manier van vakantie vieren die ons door de dame in het reisbureau overigens van harte werd aanbevolen.[3]
  3. (verouderd) toevertrouwen
Synoniemen
  • [1]: recommanderen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
iets heel sterk aanbevelen
  • [2]: zich aanbevolen houden voor
belangstelling en interesse hebben voor
  • [3]: iemand een geheim aanbevelen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen