Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • track
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘spoor van magneetband’ voor het eerst aangetroffen in 1966 [1]
  • van het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord track tracks
verkleinwoord trackje trackjes

Zelfstandig naamwoord

track m

  1. spoor
  2. (muziek) nummer van een album of single
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
track tracks

Zelfstandig naamwoord

track

  1. baan, spoor
  2. nummer van een album of single


vervoeging
onbepaalde wijs to  track 
he/she/it  tracks 
verleden tijd  tracked 
voltooid
deelwoord
 tracked 
onvoltooid
deelwoord
 tracking 
gebiedende wijs  track 

Werkwoord

track

  1. natrekken, opsporen