mazelen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ze·len
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mazelen
verkleinwoord mazeltjes

Zelfstandig naamwoord

mazelen mv

  1. (medisch) een kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
    • Deze inenting beschermt tegen rodehond, bof en mazelen. 
    • Deze maand is geopperd dat ouders die hun kind niet laten vaccineren, gekort worden op de kinderbijslag. Er zijn zorgen over het groeiende aantal weigeraars onder jonge hoogopgeleiden die bijvoorbeeld vinden dat de natuur zijn werk moet doen.
      Mazelen grijpt in Europa steeds forser op zich heen, bleek deze week ook, al speelt dat amper in Nederland. [3]
       
Hyperoniemen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mazelen
mazelde
gemazeld
zwak -d volledig

mazelen

  1. ergatief mazelen hebben

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen