biseksueel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·sek·su·eel
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Leenvertaling van Duits bisexuell in de betekenis van ‘met aanleg voor seksuele omgang met beide geslachten’, voor het eerst aangetroffen in 1897, in de Nederlandse vertaling van het handboek van de Duitse psychiater Richard von Krafft-Ebing, zie vindplaats hieronder.
  • [2] Ontleend aan Engels bisexual (1824) in de betekenis van “met mannelijke en vrouwelijke geslachtskenmerken” (oorspronkelijk als een botanische term), voor het eerst aangetroffen in 1849, ook in latere, met name (natuur)wetenschappelijke bronnen.
  • afgeleid van seksueel met het voorvoegsel bi- [1]
stellend
onverbogen biseksueel
verbogen biseksuele
partitief biseksueels

Bijvoeglijk naamwoord

biseksueel

  1. (psychologie) (lhbt) seksueel gericht op beide geslachten
    • - Iemand die biseksueel is wordt door beide geslachten seksueel aangetrokken. 
     Anders staat de zaak bij belasten, die waarschijnlijk bisexueel van aanleg zijn gebleven, d.w.z. individuen, die niet geschapen zijn voor uitsluitend hetero-sexueele geslachtsgewaarwording.[2]
  2. (biologie) (verouderd) tweeslachtig, hebbende zowel mannelijke alsook vrouwelijke geslachtskenmerken
     Tussen de Bovenwereld en de Benedenwereld, aldus de mythen, bevindt zich de ambivalente Middenwereld, de mensenwereld, met zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen. In deze wereld bemiddelen priesters tussen Boven en Beneden. Deze mythische priesters worden vaak uitgebeeld met bisexuele kenmerken. Een fraai voorbeeld is de hermafroditische basir, een Dayakpriester uit Kalimantan (Borneo), met borsten en mannelijke genitaliën.[3]
     dat deze dieren (zekere schelpdieren) levend-barend zijn, en tevens zag dat zij kort vóór de baring zich twee aan twee vereenigden, waaruit hij vermoedt dat deze dieren (Miliolen) bisexueel zijn, ofschoon hij de verschillende voortplantingsorganen niet vermogt te onderkennen,[4]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord biseksueel biseksuelen
verkleinwoord biseksueeltje biseksueeltjes

Zelfstandig naamwoord

biseksueel m

  1. (lhbt) iemand die een biseksuele geaardheid heeft
    • - In een aanval op de in zijn ogen bekrompen Italiaanse moraal haalde Pannella, zelf verklaard biseksueel, een gevierde pornoster bij de partij: Ilona Staller, in de filmpjes bekend als Cicciolina. In 1987 werd ze, met 20.000 voorkeursstemmen, gekozen in de Kamer van Afgevaardigden.[5] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. biseksueel op website: Etymologiebank.nl
  2.   Weblink bron Prof. Dr. R. von Krafft-Ebing “Leerboek der zielsziekten van het geslachtsleven, vooral met het oog op de tegennatuurlijke geslachtsdrift : met 191 waarnemingen over sadisme, saphisme, masochisme, fetischisme, bestialiteit, homo-sexualiteit, paederastie enz. enz., naar de negende Duitsche uitgaaf der PSYCHOPATHIA SEXUALIS”, Eerste deel (1896-1897]), A. van Klaveren, Amsterdam, p. 14 op Delpher.nl  
  3.   Weblink bron Jan W. de Vries Travestieten in Jakarta, Nederlands als Geheimtaal in: Ons Erfdeel  , Jaargang 32 (1989), Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer, p. 719 op dbnl.org  
  4. P. Harting “De magt van het kleine, zigtbaar in de vorming der korst van onzen aardbol”, Utrecht (1849), p. 177
  5. Marc Leijendekker NRC 4 juni 2016
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be