homoseksueel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·mo·sek·su·eel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord homoseksueel homoseksuelen
verkleinwoord homoseksueeltje homoseksueeltjes

Zelfstandig naamwoord

homoseksueel m

  1. (lhbt) man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
    • Is die man een homoseksueel of weet jij dat ook niet? 
      In het oude boek, waarvan wij gesproken hebben, wordt deze genegenheid van Karel voor Hagamon op zeer natuurlijke wijze verklaard, want de koning was iemand, die voor homosexueel genot leefde, en Hagamon was een beeldschoon jonkman.[4]
Schrijfwijzen
  • homosexueel (officiële spelling tot 1955, daarin toegelaten spelling tot 1996)
Verwante begrippen
Opmerkingen
  • Kertbeny bedacht ook op eenzelfde manier gevormde woorden (met wetenschappelijke pretentie) als normalsexual of heterosexual 'zijnde seksueel gericht op personen van het andere geslacht', monosexual 'zijnde uitsluitend gericht op zichzelf voor seksuele bevrediging', amphisexual 'zijnde seksueel gericht op personen van beide geslachten'.
  • Een oudere wetenschappelijke benaming voor '(mannelijke) homoseksueel' is uranist, ontleend aan Frans uraniste (een vorm die weer afgeleid is van het thans verouderde, Duitse neologisme voor mannelijke homoseksualiteit "Uranismus").
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen homoseksueel homoseksueler homoseksueelst
verbogen homoseksuele homoseksuelere homoseksueelste
partitief homoseksueels homoseksuelers -

Bijvoeglijk naamwoord

homoseksueel

  1. (lhbt) betrekking hebbend op de liefde voor mensen van mannen voor mannen of vrouwen voor vrouwen
    • Weet jij of die man homoseksueel is? 
Vertalingen

Verwijzingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be