tweeslachtig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·slach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tweeslachtig tweeslachtiger tweeslachtigst
verbogen tweeslachtige tweeslachtigere tweeslachtigste
partitief tweeslachtigs tweeslachtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

tweeslachtig

  1. van zowel het mannelijk- als het vrouwelijk geslacht kenmerken hebbend
  2. twee of meer eigenschappen proberen te verenigen waardoor het eigen karakter verloren gaat
    • De Europese Unie probeerde weer eens met een tweeslachtige oplossing alle partijen tevreden te houden. 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be