• af·slo·ven

afsloven

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsloven
sloofde af
afgesloofd
zwak -d volledig
  1. zo hard werken dat je helemaal uitgeput raakt
    • Hij heeft toch al iets met geld; hij vindt zichzelf een selfmade man aan wie iedereen een voorbeeld zou moeten nemen. Zoals zijn spilzieke broer Giovan Simone, aan wie hij schrijft: „Ik ben me namelijk al bijna twaalf jaar aan het afsloven in heel Italië, verdraag alle schande, duld elke ontbering, kwel er mijn lijf met elke inspanning, stel mijn eigen leven bloot aan duizend gevaren alleen maar om mijn familie te helpen.” En de waarschuwing: „Als het nodig is, ben ik in staat tienduizenden van jouw soortgenoten in verwarring te brengen. Wees dus wijs en tart niet wie al andere kwellingen kent.”[3] 
50 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[4]