• stam·pij
enkelvoud meervoud
naamwoord stampij
verkleinwoord

de stampijv [3]

  1. vooral in combinatie met maken: onrust veroorzaken door lawaai en ruzie te maken
    • Toen Matthew zag dat Darwin alom de eer kreeg voor een idee dat in feite het Zijne was, maakte hij een heleboel stampij met een brief in de Gardener's Chronicle. [4] 
    • Je had een benoeming voor het leven en als je niet uit jezelf vertrok, kreeg niemand je weg. 'Ik hoefde het woord pensioen maar in de mond te nemen of Viktor begon stampij te maken.' [5] 
    • In de 5e klas ontbreek ik op de klassenfoto omdat ik in 1947 (ik was 11), nog maar kort na de oorlog als 'bleekneusje'met het Rode Kruis naar Zwitserland mocht. Een feest, hoewel ik het altijd heb betreurd dat ik niet op de klassenfoto sta, maar het kwam absoluut niet in mijn hoofd op, of in dat van mijn ouders om daar stampij over te maken. Ik had gewoon pech.[6] 
92 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.[7]