Nederlands

 
drukte in de stad
Uitspraak
Woordafbreking
  • druk·te
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘het druk-zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1700 [1]
  • Afgeleid van druk met het achtervoegsel -te.
enkelvoud meervoud
naamwoord drukte -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

drukte v

  1. het hebben van veel activiteit van verkeer, mensen
    • Het was me daar een drukte! 
     Het was een gekke gewaarwording om na alle drukte van thuis helemaal alleen te lopen als een klein onderdeel van het landschap.[2]
  2. veel dingen te doen hebben, het druk zijn
    • Met de drukte van vandaag de dag lijk je nergens meer aan toe te komen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
drukken

drukte

  1. enkelvoud verleden tijd van drukken
    • Ik drukte. 
    • Jij drukte. 
    • Hij, zij, het drukte. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen