opblazen

[2] Een ballon opblazen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·bla·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opblazen
blies op
opgeblazen
klasse 7 volledig

Werkwoord

opblazen

  1. overgankelijk doen ontploffen
    • Dat gebouw wordt opgeblazen. 
  2. overgankelijk een gas in een uitzetbare ruimte pompen
    • Een ballon opblazen. 
  3. een gas in een bepaalde richting laten stromen
     Doordat de wind recht mijn kant opblies en het geluid van de donder steeds dichterbij kwam bleven mijn tranen stromen.[2]
  4. overgankelijk (een gebeurtenis) op overdreven manier beschrijven
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen