Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bla·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blazen
blies
geblazen
klasse 7 volledig

Werkwoord

[A] blazen

  1. inergatief een luchtstroom veroorzaken
    • Blaas even, dan koelt het wel af. 
    • In het zakje blazen. 
    • Het kind moet hard blazen om de kaarsjes uit te laten gaan. 
     Ik had nog wel uren zo door kunnen lopen maar langzaam stak er een sterke tegenwind op die stof in mijn ogen blies.[4]
  2. overgankelijk met een luchtstroom iets vervaardigen
    • Dit glas wordt geblazen, niet gewalst. 
    • Bellen blazen. 
  3. overgankelijk een blaasinstrument bespelen
    • Hij blies een vrolijk deuntje. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • hoog van de toren blazen
eisen stellen omdat je jezelf wel heel erg belangrijk vindt
  • Beter hard geblazen dan de mond gebrand.
het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid een ongeluk gebeurt/iets fout gaat
  • de aftocht blazen
verliezen en weggaan
  • de kraaienmars blazen
dood gaan
  • flink in de bus blazen
voor een bepaald doel veel geld uitgeven of beschikbaar stellen
  • geen veer van de mond kunnen blazen
heel zwak zijn ofwel: heel arm zijn
  • van toeten noch blazen weten
van iets geen verstand hebben
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blazen
blazede
geblazed
zwak -d volledig

Werkwoord

[B] blazen

  1. (jongerentaal) roken van een sigaret of joint
    • Hij wilde eerst blazen voor hij naar binnen ging 

Zelfstandig naamwoord

blazen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord blaas

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen