enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
z'n
(ervan)
zijne
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm


  • hun·ne

hunne

  1. zelfstandige vorm van hun, derde persoon meervoud
    • Zijn deze kopjes nu de hunne of zijn ze de onze? 
  2. (verouderd) verbogen vorm van hun
    • Hunne Excellenties zijn daarover niet geraadpleegd. 
enkelvoud meervoud
naamwoord hunne hunnen
verkleinwoord

de hunnev / m

  1. zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord: een persoon die tot hen behoort
    • Deze man is een van de hunnen.