epidemiologie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • epi·de·mio·lo·gie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord epidemiologie -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

epidemiologie v

  1. (medisch) (wetenschap) leer van de epidemieën
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Roemeens

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

epidemiologie

  1. (wetenschap) epidemiologie

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

epidemiologie

  1. (wetenschap) epidemiologie

Meer informatie