• dump
  • van het Engelse 'to dump' (neergooien)[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord dump dumps
verkleinwoord - -

de dumpm

  1. (militair) depot van legergoederen
  2. (handel) winkel waar overbodig geworden of afgedankte legergoederen verkocht worden
vervoeging van
dumpen

dump

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dumpen
    • Ik dump. 
  2. gebiedende wijs van dumpen
    • Dump! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dumpen
    • Dump je? 
99 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[2]


vervoeging
onbepaalde wijs to  dump 
he/she/it  dumps 
verleden tijd  dumped 
voltooid
deelwoord
 dumped 
onvoltooid
deelwoord
 dumping 
gebiedende wijs  dump 

dump

  1. overgankelijk dumpen, lozen, zich ontdoen van
  2. onovergankelijk neerploffen, neersmakken
enkelvoud meervoud
dump dumps

dump

  1. afvalplek, stortplaats
  2. afvalberg, berg, hoop (van afval e.d.)
  3. (militair) dump [1], militair depot
  4. (informatica) gedumpte gegevens
  5. (informeel) deprimerende plek
  6. (informeel) grote boodschap
  7. (sport) tactische bal bij het volleyen