Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wust
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bekend, bedoeld’ voor het eerst aangetroffen in 1638 [1]
  • in 17e eeuw van Duits bewußt [2][3]
[1],[2] stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bewust bewuster (bewustst) *
verbogen bewuste bewustere (bewustste) *
partitief bewusts bewusters -
[3] stellend
onverbogen bewust
verbogen (alleen
predicaat)
[4] stellend
onverbogen bewust
verbogen bewuste

Bijvoeglijk naamwoord

bewust

  1. iets waarvan kennis is genomen, iets wat met nadenken gebeurt of juist niet gebeurt, opzettelijk, expres
    • Het was een bewuste keuze om niet eerst langs de receptie te gaan. 
  2. bewust van op de hoogte met iets, iets beseffend
    • De zich van het pas gebeurde ongeluk niet bewuste automobilisten konden maar net een kettingbotsing vermijden. 
  3. predicatief met oorzakelijk voorwerp: zich iets bewust zijn op de hoogte zijn met iets
    • Hij was zich dat niet bewust. 
  4. attributief eerdergenoemd, waarover eerder is gesproken
    • Gisteren is mijn mobiele telefoon gestolen. De bewuste diefstal vond plaats in een café. 
     Mijn vrouw houdt niet van vliegen waardoor zij dertig jaar geleden de bewuste keuze heeft gemaakt dat nooit meer te doen. Ze was dan ook allang blij dat ze niet met mij mee hoefde op mijn verre reizen, maar was wel vanaf het begin mijn grootste supporter.[4]
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest bewust(e)" worden gebruikt.[5][6]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen