belachelijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·la·che·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen belachelijk belachelijker belachelijkst
verbogen belachelijke belachelijkere belachelijkste
partitief belachelijks belachelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

belachelijk

  1. lachwekkend, om uit te lachen, idioot, bespottelijk, vreemd
    • De man had een belachelijke petje op zijn hoofd tijdens carnaval. 
     Het is dat die gasten dit jaar de prijs belachelijk hebben opgeschroefd, anders waren wij daar weer naartoe gegaan.[1]
     Misschien voelde Jeroen zich na zijn belachelijke gedrag van die morgen zo bezwaard dat hij nu fris en monter voor haar wilde verschijnen.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be