absence

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·sen·ce
enkelvoud meervoud
naamwoord absence absences
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ˈabsence' v

  1. (medisch) een kortstondig bewustzijnsverlies als gevolg van een stoornis in de hersenen
    • Hij kreeg ineens een absence. 
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Zelfstandig naamwoord

absence

  1. afwezigheid


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  absence     l'absence     absences     les absences  

Zelfstandig naamwoord

absence v

  1. afwezigheid


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /apsɛntsɛ/
Woordafbreking
  • ab·sen·ce
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans.

Zelfstandig naamwoord

absence

  1. afwezigheid, absentie
Verbuiging
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • neomluvená absence v
Verwante begrippen

Verwijzingen