aanwakkeren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·wak·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwakkeren
wakkerde aan
aangewakkerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanwakkeren

  1. aansporen
  2. sterker worden
    • Toen ze hem zo liefdevol zijn moeder zag verzorgen werd haar liefde voor hem weer aangewakkerd. 
    • De wind wakkerde aan 
  3. groter maken
    • De storm wakkerde het vuur weer aan 
     Ergens diep binnenin je bevindt zich daarentegen het oergevoel dat na elk bezoek aan de site meer aangewakkerd zal worden.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be