aansporen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aansporen aangespoord
aansporing


Woordafbreking
  • aan·spo·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aansporen
spoorde aan
aangespoord
zwak -d volledig

Werkwoord

aansporen

  1. overgankelijk nadrukkelijk aanzetten tot een bepaalde actie
    • Zij werden aangespoord door hun supporters om niet op te geven. 
     Hoewel sommige hersencellen haar aanspoorden tot vriendelijke lichaamstaal, wilde een bepaald gedeelte hieraan niet meewerken.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. aansporen op website: Etymologiebank.nl
  2. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be