versieren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sie·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tooien’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • afgeleid van sieren met het voorvoegsel ver-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
versieren
versierde
versierd
zwak -d volledig

Werkwoord

versieren

  1. overgankelijk iets meer aantrekkelijk of mooier maken
    • Zij versieren de huiskamer voor de verjaardag van hun zoontje. 
  2. overgankelijk langs (veelal officieuze) weg regelen
    • Hij wist nog mooie plekken voor het concert te versieren. 
  3. overgankelijk (informeel) verleiden van iemand van wie je houdt
    • Hij probeerde een collega te versieren. 
     Het meisje dat het liefst door mij gevangen wilde worden, heette Lena Andersson en ik vond haar de mooiste van hen allemaal. Clark, die een kei was met meisjes, zei dat ik haar wel kon versieren.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Nedersaksisch

Werkwoord

versieren

  1. versieren


Veluws

Werkwoord

versieren

  1. versieren