tierig
- tie·rig
- naamwoord van handeling van tieren met het achtervoegsel -ig [1]
stellend | vergrotend | overtreffend | |
---|---|---|---|
onverbogen | tierig | tieriger | tierigst |
verbogen | tierige | tierigere | tierigste |
partitief | tierigs | tierigers | - |
tierig [2]
- met veel levenslust
- ▸ Wie het tierig groeiende onkruid in zijn tuin aantreft, kan de plant het beste diep uitgraven en afvoeren.[3]
- ▸ Wie een fruithaag aanplant moet er wel op letten dat zijn leiboompjes geënt zijn op een zwakgroeiende onderstam. Vruchtbomen zijn altijd op een onderstam geënt en als die te tierig is, is het moeilijk om de groei in de hand te houden.[4]
- Het woord tierig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "tierig" herkend door:
72 % | van de Nederlanders; |
62 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ tierig op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Weblink bron Simone van Zwienen“De Japanse duizendknoop verspreidt zich als een gek over Nederland” (24-07-2017), Tubantia
- ↑ Weblink bron Romke van de Kaa“‘De wilde fruithaag kun je beter vervangen door een tamme’” (18-07-2019), Tubantia
- ↑ Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be