blijmoedig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blij·moe·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van blij en gemoed met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen blijmoedig blijmoediger blijmoedigst
verbogen blijmoedige blijmoedigere blijmoedigste
partitief blijmoedigs blijmoedigers -

Bijvoeglijk naamwoord

blijmoedig [1]

  1. met een zekere opgewektheid en nonchalance het leven kunnen aanpakken
    • „Ja, je moet het niet te zwaar maken. De filosofie is al heftig genoeg. Ik zal zware thema’s niet schuwen, maar je moet er wel een beetje blijmoedig mee omgaan.”[2] 
    • „Dit zoveelste schandaal is kenmerkend voor eurokritische politieke bewegingen”, zegt de groene, Belgische Europarlementariër Bart Staes. „Allemaal doen ze verontwaardigd over Europese normvervaging en een gebrek aan correcte waarden, maar vervolgens lappen ze zelf blijmoedig de financiële regels aan hun laars. Het tekent hun double speech en hun dubbelhartigheid.”[3]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Rosan Hollak 28 maart 2017
  3. NRC Stéphane Alonso 13 maart 2017
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be