stuiten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stui·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tot staan brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1] [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stuiten
stuitte
gestuit
zwak -t volledig

Werkwoord

stuiten

  1. overgankelijk een beweging tot staan brengen
    • De aanval werd door een katachtige duik van de doelman gestuit. 
    • Hij verliest zijn evenwicht, rent als vanzelf nog een paar meter door en stuit dan op het lichaam van de oude Grisonnier, wiens onverwachte dood het vertreksein was geweest voor deze laatste slachtpartij. [4] 
  2. ergatief door botsing in omgekeerde richting gaan bewegen
    • De bal stuitte tegen de muur. 
  3. plotseling iets tegenkomen
     Tegen het einde van de dag vonden we de officiële trail weer terug en stuitten we eindelijk op het bord ‘WELCOME IN KENNEDY MEADOWS’.[5]
     Het was altijd een feest als ik op een kleine waterbron recht uit de berg stuitte.[5]
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Typische woordcombinaties
  • [2] stuiten op
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] tegen de borst stuiten
    weerzin oproepen
Spreekwoorden
  • [1] De vooruitgang is niet te stuiten.
    Men moet verandering aanvaarden.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stuiten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stuit

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen