rabarber

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ra·bar·ber
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘een gewas, gerecht daarvan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord rabarber -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rabarber v/m

  1. (plantkunde), (groente) Rheum rhabarbarum  , een groente uit het plantengeslacht Rheum
    • Ik vind rabarber maar zuur. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen