• mor·tel
enkelvoud meervoud
naamwoord mortel mortels
verkleinwoord - -

de mortelm

  1. (bouwkunde) mengsel waarmee wordt gewerkt (zoals bij metselen, stukadoren, pleisteren)
vervoeging van
mortelen

mortel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mortelen
    • Ik mortel. 
  2. gebiedende wijs van mortelen
    • Mortel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mortelen
    • Mortel je? 
91 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[5]


  enkelvoud meervoud
  mannelijk   mortel mortels
  vrouwelijk   mortelle mortelles

mortel

  1. sterfelijk, met betrekking tot de dood of het sterven
  2. die/dat de dood veroorzaakt, dodelijk
    «Le balayage est impitoyablement proscrit, les poussières pouvant être mortelles pour les vers à soie.»[2]
    Vegen is absoluut verboden. De stofdeeltjes kunnen voor de zijderupsen dodelijk zijn.
  3. (religie) gezegd van een zonde die de menselijke ziel aan de dood overlevert.
    «La fornication est un péché mortel
    Ontucht is een doodzonde.
  4. (figuurlijk) kortstondig, vluchtig
  5. (spreektaal) (figuurlijk) dodelijk saai
  6. (spreektaal) (figuurlijk) te gek, heftig, vet
    «La soirée au Palaccio, elle était mortelle!»
    Die avond in het Palaccio was echt vet! [3]

mortel m, mortelle v

  1. sterveling
  2. mv de mensheid
  1.   Weblink bron mortel in: Dictionnaire de l’Académie française, 9e édition (huidige editie) op dictionnaire-academie.fr
  2. D. de Prat
    “Nouveau manuel complet de filature”, 1re partie: Fibres animales & minérales (1914), Encyclopédie Roret
  3. Wouw, Berry van de
    , Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 135