• ego·is·me
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zelfzucht’ voor het eerst aangetroffen in 1872 [1]
  • Van het Latijnse ego met het achtervoegsel -isme [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord egoïsme
verkleinwoord

het egoïsmeo

  1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
    • Vloeien alle handelingen van de mens voort uit egoïsme? 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]