Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ego
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘ik-gevoel’ voor het eerst aangetroffen in 1843 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ego ego's
verkleinwoord egootje egootjes

Zelfstandig naamwoord

ego o

  1. gevoel van eigenwaarde
    • De grote salarisverhoging was heel goed voor haar ego. 
    • De jonge honkballer had een veel te groot ego. 
     Het was alsof er meerdere mensen in mijn hoofd meeliepen, iedere stem met een eigen motivatie: soms vanuit mijn ego, soms vanuit mijn verstand en soms vanuit pure angst. Zo alleen was ik dus eigenlijk niet.[3]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

enkelvoud meervoud
nominatief ego nōs
accusatief
genitief mei nostri
datief mihi nōbis
ablatief

Persoonlijk voornaamwoord

ĕgo

  1. ik (nominatief van de eerste persoon enkelvoud)