• al·les
  • genitief van al, misschien beïnvloed door het Duitse alles, in de betekenis van ‘onbepaald voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1599 [1] [2]

alles

  1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
    • Hij had alles gedaan om zijn proefschrift op tijd af te hebben. 
     Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.[3]
     Wanneer je dit alles bij elkaar optelde klonk het heel goed.[4]
• Hier kun je van alles kopen. 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]


  • al·les

alles

  1. alles