allesoverheersend

  • al·les·over·heer·send
stellend
onverbogen allesoverheersend
verbogen allesoverheersende
partitief allesoverheersends

allesoverheersend [1]

  1. groter, belangrijker, machtiger dan al het andere
     En zo is het een tweestrijd geworden tussen twee grote rondes. De Giro is een serieus alternatief, en dat is al heel wat na decennia waarin de Tour allesoverheersend en allesverpletterend was.[2]
     Tot ver in de omtrek hoor je die gasten met hun allesoverheersende gebrul. Ook zij dienen zich toch aan een maximum aantal decibel te houden? Om nog maar te zwijgen over het feit dat ze zich daarmee zeker niet aan de maximum snelheid houden. Waar blijft het handhaven hier? Wanneer stopt de politie eens om de aandacht steeds op auto’s te richten?[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Weet de Giro Dumoulin te verleiden?” (29-11-2017), Tubantia
  3.   Weblink bron “’Geluidsoverlast motoren aanpakken’” (17 aug. 2020), De Telegraaf