vasthechten


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·hech·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vasthechten [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vasthechten
hechtte vast
vastgehecht
zwak -t volledig
  1. wederkerend zich vastmaken aan; zich vastklampen aan
    • Schisis is een aangeboren afwijking waarbij iemand een spleet in zijn bovenlip, kaak of gehemelte heeft. Normaal gesproken groeien bij een embryo de linker- en rechterhelft van die lichaamsdelen aan elkaar vast. Door een miscommunicatie van de genen gebeurt dat niet bij schisispatiënten. Dit kan nu verholpen worden door korrels van keramisch materiaal aan te brengen in de spleet, een soort kunstbot. Daarin zit een kalkachtige stof waar echt bot deels uit opgebouwd is. De korrels trekken botvormende stamcellen aan, die zich daaraan vasthechten. Vervolgens groeit de spleet grotendeels dicht en kunnen er zelfs gewone tanden uit gaan groeien. [2] 
  2. zaken aan elkaar vastmaken, zaken met elkaar verbinden
    • Vrouwelijke genitale verminking is in ons land verboden. De meeste vrouwen in ons land die besneden zijn, zijn tussen de 20 en 49 jaar. Er bestaan verschillende vormen van vrouwelijke genitale verminking. Dat gaat van het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de clitoris tot het volledig verwijderen en het aan elkaar vasthechten van de schaamlippen. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen