Een toekan.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·kan
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘spechtvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord toekan toekans
verkleinwoord toekannetje toekannetjes

Zelfstandig naamwoord

toekan m

  1. (vogels) een spechtachtige, tropische vogel uit de familie Ramphastidae  
    • Mijn lievelingsdier is de toekan vanwege zijn mooie snavel en kleuren. 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
toekunnen

toekan

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toekunnen
    • ... dat ik toekan. 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen