onstandvastig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·stand·vas·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onstandvastig onstandvastiger onstandvastigst
verbogen onstandvastige onstandvastigere onstandvastigste
partitief onstandvastigs onstandvastigers -

Bijvoeglijk naamwoord

onstandvastig [1]

  1. niet met heel grote zekerheid
     Het was een rol die ze onstandvastig speelde ten overstaan van Theo's onverschilligheid.[2]
  2. van het weer dat het makkelijk kan veranderen
     Vrijdag wordt het droger en zachter maar dit zou slechts tijdelijk zijn want verschillende modellen houden vast aan onstandvastig weer met geregeld een sneeuwbui.[3]
     Aan het begin van de nieuwe werkweek is het nog onstandvastig. Maandag vallen er enkele buien, met af en toe zon, dinsdag gaat het vooral in de middag vaker en harder regenen. Wat temperatuur betreft verandert er weinig.[4]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Main, Sarah “Huis van eb en vloed” (2015), A.W. Bruna Uitgevers  , ISBN 9789044974515
  3.   Weblink bron “Meer sneeuw in de Alpen” (05-12-2011), Tubantia
  4.   Weblink bron “Na regen komt zonneschijn” (07 okt. 2017), De Telegraaf