• lu·men
  • van Latijn lumen, in de betekenis van ‘licht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1526 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord lumen lumina
verkleinwoord

het lumeno

  1. (medisch) natuurlijke holte (ruimte)
    • Doch bij het konijn IV, waar de lumina wijd openstonden, in tegenstelling van die bij de andere, waar de lumina gewoonlijk waren saamgevallen, waren de "Ersatzzellen” verder uit elkander gelegen.[2] 
    • [...], maar wel steken de toppen der cellen vrij in het lumen uit, [...][2] 

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als eenheid.

enkelvoud meervoud
naamwoord lumen lumens*
verkleinwoord

de lumenm

  1. (natuurkunde), (eenheid) afgeleide SI-eenheid van lichtstroom, weergegeven met symbool lm
    • De lumen is een maat voor de totale hoeveelheid zichtbaar licht die een lichtbron in alle richtingen uitstraalt. 
     Het aantal lumen van uw verlichting zegt hoeveel licht een lamp daadwerkelijk uitstraalt.[3]
  • Bij het opgeven van de waarde in een bepaalde eenheid is het gebruikelijk om het enkelvoud te gebruiken.

 De werkelijke lichtopbrengst is 641 lumen – 8 procent minder dan beloofd.[4]

64 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[5]
  1. "lumen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 2,0 2,1 De Glandulae genitales accessoriae van het konijn voor en na castratie en resectie der vasa deferentia
    Pieter Cornelis Dirk Schaap
    , Van Huffel, 1899
  3.   Weblink bron “Lumen betekenis” (20 december 2021) op tralert.com
  4.   Weblink bron
    Leonie van Nierop
    “Een beetje rommelen met watt en lumen” (18 december 2015) op nrc.nl  
  5.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  • IPA: /ˈluː.mɛn/
  • lu·men

lūmĕn o

  1. licht, daglicht
  2. lamp, kaars
  3. oog