kinderlijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kin·der·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van kind met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -er- of samenstelling van kind en lijk met het invoegsel -er-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kinderlijk kinderlijker kinderlijkst
verbogen kinderlijke kinderlijkere kinderlijkste
partitief kinderlijks kinderlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

kinderlijk

  1. overeenkomstig de aard van een kind (kindsheid), zoals een kind is of doet.
  2. naïef, onbevangen.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be