gekrioel


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kri·oel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekrioel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekrioel o [1]

  1. het aanhoudend druk bewegen van grote groepen mensen of andere zaken
    • Marloes Mollink staat op vrijdag en zaterdag met haar viskraam De Bakvis bij de ingang en heeft een prima uitzicht op het gekrioel van auto’s. Vanaf de ingang moeten ze links of rechts, geven de pijlen aan. En dan via het middenpad er weer uit. Maar lang niet iedereen volgt de pijlen. Ze ziet soms kleine aanrijdingen gebeuren. En ze signaleert ook met enige regelmaat oplopende irritaties. „Mensen ergeren zich tegenwoordig zó snel...” [2] 
    • De verkeerspsycholoog ziet nu dagelijks hoe grote steden zuchten onder het gekrioel. ,,Kijk in het centrum van Utrecht: elke dag lange fietsfiles. De meeste fietsers sluiten netjes aan, maar er zijn ook snellere fietsers die gaan inhalen terwijl die ruimte er niet is, of dan maar de stoep kiezen. Dat mag niet, maar het is wel verklaarbaar: ze zoeken ruimte.’’ [3] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen