Folklore van de Canarische eilanden
  • fol·klo·re
  • In de betekenis van ‘volksoverleveringen’ voor het eerst aangetroffen in 1887.[1][2]
  • Leenwoord uit Engels folklore.[3]
enkelvoud meervoud
naamwoord folklore folklores
verkleinwoord

de folklorev / m

  1. alle traditionele cultuuruitingen van een volk, d.i. traditionele gebruiken, verhalen, gezegdes, vormen van bijgeloof, dansen en andere kunstvormen van een bepaalde volksgroep
    • De katholieke kerk is bijna folklore geworden, zegt Maurice Verhaeg. En dat bedoelt hij niet neerbuigend, maar positief: als een vertoon waarin mensen zich kunnen herkennen. Deze ochtend had hij op het nieuws gehoord dat Ede de gelukkigste gemeente van Nederland is. Op de radio werd een man uit Ede gevraagd hoe dat kwam. Ik voel me geborgen, had die gezegd. En dat, zegt Maurice Verhaeg, is precies hoe het is voor Neer.[4] 
    • In het Meertens Instituut onderzoek met de folklore, tradities, geschiedenis, dialect, dans, klederdrachten, legenden en andere uitingen van de volkscultuur. 
     In onze tijd bestaat er een toenemende belangstelling, zowel voor de folklore als voor de achtergrond en de inhoud van de feesten. Temeer als die beleefd kunnen worden door het hele gezin en de hele groep, jong of oud.[5]
95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[6]


folklore

  1. folklore
  2. (wetenschap) studie van deze kennis van folklore
  3. (figuurlijk) gerucht of verhaal dat in de media of op internet de ronde doet (zonder dat er een zekere bron aan te wijzen is).