cizojazyčný

Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /tsɪzɔjazɪtʃniː/
Woordafbreking
  • ci·zo·ja·zyč·ný
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van het bijvoeglijk naamwoord cizí en het zelfstandig naamwoord jazyk met het achtervoegsel -ný

Bijvoeglijk naamwoord

cizojazyčný

  1. vreemdetalen-; met betrekking tot vreemde talen
Verbuiging


Afgeleide begrippen

Verwijzingen